Enige zet en beige sokken

Het koningsgambiet kent vele messcherpe varianten en nodigt zwart vaak uit tot onvoldoend gemotiveerde aanvallen op de witte koning. Zwartspelers die het gambiet niet kennen en wit een zet zien doen als Kf1, Kd1 of Kf2 zie je vaak in gedachten het punt al tellen.
Een superieur glimlachje welt mij naar de lippen als ik later de zwartspeler aan de bar hoor opscheppen hoe hij de hele partij huizenhoog gewonnen heeft gestaan, zelfs de hele tijd een volle pion voor en dat ik hem door stom geluk heb mat gezet.
Wat een sukkel.
Hij stond de hele tijd verloren!
Hoe is het mogelijk dat hij dat niet ziet?
Hij moet toch wel een geweldige blinde vlek hebben.
Sommige schakers doen het echt met een bord voor hun kop!
Maar dan verstart mijn glimlach als mij plotseling alle partijen voor de geest komen waarin ík huizenhoog gewonnen stond en mijn tegenstander door pure mazzel nog een winstweg vond. Zie ik daar aan de bar geen hooghartig glimlachje op zijn achterbakse tronie terwijl hij aan zijn bier nipt?
Hij vindt mij toch geen sukk…?!!
Ja, beste lezer, als er geen tegenstanders waren dan was er nooit een reden te twijfelen aan het eigen zuivere oordeel.
U ziet wat u ziet en dat is het enige wat er te zien valt.
Slechts via indirecte weg kun je tot de conclusie komen dat er misschien nog iets is wat je niet waarneemt.
Heeft de twijfel eenmaal toegeslagen dan behoeven de volgende vragen dringend antwoord:
Hoe groot is mijn blinde vlek?
Zie ik slechts 1% over het hoofd of ontgaat mij 99% van het gebodene?

Het bepalen van de omvang van de blinde vlek.

Grootmeesters als Kasparov en Donner wisten het zeker:
Geen computer zou hen ooit kunnen verslaan.
Als ex-programmeur weet ik wel beter. Natuurlijk zal de computer de mens voorbijstreven in het schaken.
Alleen mensen die wel zeer geïdentificeerd zijn met hun lichaam zullen beledigd worden door een hijskraan omdat die zwaardere gewichten heffen kan dan zij.
Zo raad ik u aan uw ijdelheid niet te zeer te koppelen aan uw geestelijke vermogens want dat moet vroeger of later wel op een teleurstelling uitlopen.
Iedereen die wel eens tegen de schaakprogramma’s Fritz of Rebel heeft geschaakt begrijpt wel wat ik bedoel.
Ik ben de kruk en Fritz is de crack.
Van Fritz heb ik nog nooit gewonnen.
We mogen er dus vanuit gaan dat Fritz meer “ziet” in een stelling dan ik.
Met behulp van Fritz kan men dus op eenvoudige wijze een idee krijgen van de omvang van de blinde vlek.
Wanneer ik mijn partijen door Fritz laat analyeren stelt hij voor ongeveer 50% van de zetten een verbetering voor. Dit betekent dat in 50% van de gevallen Fritz iets “ziet” in de stelling wat ik niet gezien heb.
De computer speelt ongeveer op het niveau van een internationaal meester of een grootmeester.
Hoe groot is de blinde vlek van een grootmeester?

Het volgende citaat is uit het boek “De Koning” van grootmeester Hein Donner.

“De laatste waarheid omtrent het schaakspel is dat het een geluksspel is. De schaker kan niet anders dan reageren op kansen en mogelijkheden die van buitenaf worden aangedragen en waarop hij slechts kan wachten en hopen.
Dit diepe inzicht in de geluksfactor in het schaakspel, het besef van de eigen uiteindelijke passiviteit, is slechts de zeer sterken gegeven en dan meestal nog pas als zij op jaren beginnen te komen.
Natuurlijk zal hij dit inzicht voor zich houden om de brede schare der armen van geest niet te verwarren. Zij immers, het eenvoudige schaakvolk, zijn onmiddellijk bereid in grote bescheidenheid toe te geven dat in hun spel het toeval een grote rol speelt, maar zij hadden nu juist gehoopt dat dit niet zou gelden voor de grootmeesters, de onfeilbaren, die immers alles zien en alles weten. Graag laat ik de onnozelen hun illusies, maar elkaar hoeven wij niets wijs te maken.
De echte schaker speelt zijn spel als kansspel. Dat blijkt ook hieruit dat het winnen van een partij door stom geluk een veel diepere vreugde en bevrediging geeft dan het winnen door correct spel. Als ‘correct spel’ dan nog bestaat, want wat mij met het klimmen der jaren steeds meer gaat benauwen, dat is, dat je eigenlijk nooit een behoorlijke partij speelt!
In Wijk aan Zee was ik aanvankelijk zeer gelukkig met mijn partij tegen Ree, niet alleen om het resultaat -oud zeer gewroken- maar omdat ik dacht een behoorlijke prestatie te hebben geleverd en op overtuigende wijze een positioneel voordeel in winst had omgezet.
Toen ik er achteraf echter nog eens over nadacht en wat varianten aan mijn geestesoog liet voorbijgaan, leerde ik wel anders. Ik stond goed na de opening, maar mijn methode was daarna faliekant mis en slaagde alleen omdat Ree ook niet begreep waar het om ging. Toen ik dan tenslotte helemaal gewonnen stond, maakte ik nog een vreselijke blunder, die Ree had laten winnen als hij de kans gegrepen had. Let wel, twee zetten voor hij opgaf!
Zoiets gebeurt mij altijd. Achteraf deugt er nooit iets van. Ik heb eigenlijk nooit een werkelijk goede partij gespeeld en misschien moet je dat ook niet willen, want het geeft geen ware vreugde.”

Hieruit blijkt dat ook een grootmeester nog heel veel niet ziet tijdens de partij.
Hoever hij afstaat van de “enig juiste zet”, de zet die je zou doen als je het schaakspel “gekraakt” zou hebben kun je alleen maar gissen.
Loopt u dus voortaan door de schaakzaal waar schakers zitten te analyseren en hoort u kreten als “enige zet” of “dat is verplicht” dan weet u dat ze in meer dan 50% van de gevallen de plank mis slaan.

Kun je van je blinde vlek afkomen?
Iemand die met schaken begint heeft een blinde vlek van 100%.
In feite is dit de natuurlijke staat.
Tijdens het leerproces worden patronen opgenomen.
Psychologen nemen aan dat de grootmeester 50.000 verschillende patronen herkent tot wel 90.000 patronen voor de supergrootmeester.
Op het eerste gezicht zou je tot de volgende redenering kunnen komen:
Een grootmeester heeft in vergelijking tot mij een blinde vlek van 0%.
Hiertoe herkent hij 50.000 patronen.
Mijn blinde vlek bedraagt 50% dus herken ik 25.000 patronen. Leer ik 5 patronen per dag aan dan ben ik over 13,7 jaar grootmeester.
De praktijk is bij de meeste mensen weerbarstiger.
Meestal groeit men door tot een bepaald plafond bereikt is. Hierna komt men niet verder, ongeacht de gepleegde inspanning. Hoe kan dat?
Het is zeer onwaarschijnlijk dat het leervermogen plotseling ophoudt te bestaan.
Ik heb 25.000 patronen aangeleerd (pak mij niet op 1 à 2 meer of minder) maar heb nog helemaal niet het gevoel dat ik ‘vol’ zit. Sterker nog, ik heb deze patronen zo in mijn systeem geassimileerd dat ik niet eens meer kan aanwijzen waar ze zitten. En als ik eerlijk ben heeft het helemaal niet veel moeite gekost deze 25.000 patronen aan te leren, het ging eigenlijk vanzelf.
Als ik niet verzadigd ben en mijn leervermogen is niet afgenomen dan moet er dus een andere kracht aan het werk zijn waardoor het opnemen van nieuwe patronen belemmerd wordt.

Met het aanleren van patronen is iets vreemds aan de hand.
De mens is bij machte om in twee ogenschijnlijk totaal verschillende stellingen heel snel hetzelfde patroon te herkennen. Bijvoorbeeld de mogelijkheid tot röntgenaanval.
Dit fenomeen is enorm bevorderlijk voor de snelheid (zie mijn artikel in de voorpost van december 2002 “van kruk naar crack in 0,2 seconden”)
Het heeft echter ook een groot nadeel.
Men wordt steeds stelliger de “enige zet” gevonden te hebben.
Een voorbeeld verduidelijkt dit misschien.
Stel u heeft een stapel sokken ter beschikking van verschillende kleuren. Het is uw taak snel bij elkaar passende sokken te vinden. (Ik gebruik alleen metaforen die vaak in de praktijk voorkomen.)
Om dit proces te vergemakkelijken schaft u zich een aantal bakken aan.
Een bak voor de gele, een voor de blauwe, de rode, de groene, de witte enz..
Deze bakken zijn te vergelijken met patronen.
Indien iemand u zegt een rode broek aan te trekken dan heeft u daar in een mum van tijd de juiste sokken bij (de gele). Zo ziet u dat patroonherkenning tot enorme snelheidswinst leidt. Het probleem is echter dat u geen aparte bak heeft aangelegd voor de beige sokken. Iedere keer dat u een beige sok tegen kwam heeft u hem bij de witte of de gele gegooid.
En nu loopt u dus in voorkomend geval voor gek met één gele en één beige sok (ziet u het voor u met die rooie broek?) Lang niet iedereen ziet dat, maar de grootmeester wel (die heeft zelfs onderscheiden bakken voor camel, zand, kaki, crème, room, gebroken wit en beige) en u verliest uw partij.
In feite zijn het dus de grote snelheid en de stelligheid die u hier parten spelen. U ziet een sok waar u iets lichts in ziet en hup, hij ligt al in de witte bak. Er is geen tijd voor de notie dat er een nieuwe bak moet worden aangemaakt. De herhaling maakt dat u steeds stelliger wordt de juiste beslissing te hebben genomen.
Stelligheid en snelheid horen bij elkaar. Stelligheid vereenvoudigd de wereld, waardoor hij hanteerbaar wordt.
Om iets nieuws te kunnen leren is deze stelligheid echter uit den boze.
Leren is een langzaam proces. Uw nieuw verworven stelligheid zit uw leervermogen in de weg.
Hierdoor wordt uw plafond bepaald.

Breng daarom een splitsing aan in de wijze waarop u de tijd verdeelt.
Als u een partij speelt, speel die vanuit de ‘doe-kwab’. Met behulp van de automatische piloot.
Als u studeert doe dat vanuit de ‘denk-kwab’. Zorg dat er een aanbod van oefenopgaven is met steeds weer nieuwe patronen. Wen uzelf de zelfbeheersing aan om tijdens de studie de automatisch opkomende patronen te onderdrukken. Zodat u nieuwe bakken voor de sokken kunt aanmaken.
Wanneer u dan niet beter gaat schaken kan slechts kleurenblindheid of een wansmaak u verontschuldigen.

Dick Stapersma.