Is er nog hoop?

Op zeventienjarige leeftijd heb ik een partij schaak verloren.
Nu gebeurde dat wel vaker in die tijd.
Echter de volstrekte nonchalance, ja, ongeïnteresseerdheid waarmee mijn tegenstander mij bejegende was grievend.
Het gemak waarmee het gebeurde was verontrustend.
In een klap was het duidelijk: ik zou nooit wereldkampioen worden.
Doordat ik in die tijd voor minder niet in actie kwam en door het feit dat ik ‘s-avonds vrijwel altijd weg was, heb ik in twintig jaar tijd sporadisch geschaakt.
De avondlijke bezigheden vielen echter weg en daar ik geen kinderen en TV heb, had ik plotseling zeeën van tijd.
Op een gegeven moment herinnerde ik mij dat schaken eigenlijk ook wel gewoon leuk was en besloot ik de draad weer op te pakken.
Aldus geschiedde.
In schaaktechnisch opzicht ben ik opgegroeid met Euwe. U weet wel, goed paard tegen slechte loper, zwakke pionnen en sterke velden.
In het begin waren de resultaten niet eens zo slecht.
Na een jaar lukte het me mijn vrouw over te halen mee te doen.
Na een aantal verliespartijen kwam zij bij me met de klacht: de mannen hier vinden het niet leuk van mij te winnen. Kun je mij geen openingen leren? (vrouwenlogica?)
Nu is dat helemaal niet eenvoudig als je zelf vrijwel niets van openingen weet.
Mijn repertoire bestond uit de restanten van een studie van ‘Practische schaaklessen deel 3, de opening’ van Euwe. Eerlijk gezegd verveelde ik me dood bij mijn eigen schaakpartijen.
En zo besloot ik de openingstheorie opnieuw ter hand te nemen.
Hierbij kwam ik op een brilliant idee. Het soort brilliant idee dat bij iedereen opkomt die liever lui dan moe is.
1e. Neem de meest obscure opening die je kan vinden.
2e. Eentje die niemand kent.
3e. Leer deze helemaal uit het hoofd.
4e. Verras vervolgens je tegenstanders op verpletterende.
Aldus geschiedde.
Met wit viel met dit recept mijn keuze op 1. f4, de Bird-opening die ik afgekeken heb van Henk Riepma. (Herkent hij zich in bovenstaande brille?)
De gevolgen waren drieërlei:

1e Een nieuw record in de annalen van de Lelystadse SchaakVereniging, mijn partij tegen Ton van Rooijen:

1. f4 e5
2. fe5: d6
3. ed6: Ld6:
4. Pf3 Pf6 Tot hier reikte mijn nieuw verworven openingskennis.
5. h3?? Lg3# Mat.
Een partij die niet misstaat in de lijst van gekkenmat en herdersmat.

2e Mijn plezier in het schaken groeide enorm.

3e Mijn resultaten kelderden met donderend geraas.

Na in een half jaar genaderd te zijn tot de drager van de rode lantaarn, besloot ik mijn kerstvakantie te gebruiken om middels grof binair geweld de Bird, of zo nodig een andere opening van suspect pluimage, om te toveren tot een stelsel van immer winnende varianten.
Na twee weken eenzame opsluiting met drie zware computers die volcontinu de geheimen van de Bird probeerden te kraken moest ik met wallen onder de roodomrande ogen toegeven dat zulks niet gelukt was.
Het is altijd weer verbazend hoeveel moeite ik mij getroost om mij niet te hoeven inspannen.
Het was duidelijk dat wij het over een andere boeg moesten gooien.
Wij vatten het plan op om het eerste team te gaan bespioneren en uit te horen. Hoe doen zij het?
Hiertoe vermomden wij ons als bewonderende fans, hetgeen klakkeloos werd geloofd.

Het uithoren van mensen is een hachelijke onderneming.
Allereerst moet vastgesteld worden dat indien mensen ergens goed in zijn dat helemaal niet wil zeggen dat zij weten hoe ze het doen. Volgt men hun raadgevingen naar de letter op, dan leidt dit op het bord vaak tot hyperventilerend kreupelhout
Een ander probleem vormen dogma’s.
Zodra een persoon die als autoriteit bekend staat zich en passant een opmerking laat ontvallen, is er altijd wel een menigte preciezen die die uitspraak oprapen en deze uitdragen aan iedereen die het niet wil horen.
Als Euwe zelf het gezegd heeft worden zelfs de rekkelijken onder ons door twijfel verscheurd.
Hij is er tenslotte wereldkampioen mee geworden, nietwaar?
In een dogma zit meestal wel een kern van waarheid, maar die is alleen geldig in een specifieke situatie.
Men heeft echter de neiging een bepaalde stelling een algemene geldigheid toe te kennen.

Een van de eerste tips die mijn vrouw wist te ontfutselen aan Rene de Wind was: ga koningsgambiet spelen!
Aldus geschiedde.
Op het Hoogoventoernooi hebben we een boek gekocht van Joe Gallagher, ‘Winning with the King’s gambit’.
Een titel die veel vertrouwen wekte.
Na Euwe was dit een openbaring. Gallagher is een van de meest agressieve grootmeesters van het moment.
Over openingen bestaan een aantal mooie dogma’s.
Zo wordt er gezegd dat je een opening niet uit het hoofd moet leren maar moet begrijpen.
De beste manier om de waarheid in een dogma te leren kennen is 180 graden tegengesteld te handelen.
Aldus geschiedde.
Het computerprogramma ‘bookup’ is uitstekend geschikt om zonder enig begrip een openingsrepertoire te trainen.
Als je dit vervolgens gaat spelen in de praktijk dan rijzen de haren je soms te berge. ‘In wat voor stelling ben ik nu weer terechtgekomen?’ vraag je je soms vertwijfeld af.
Je wordt nu gedwongen te kijken wat er allemaal in de stelling zit. Een vuurdoop die begrip diepgang geeft. Die stelling vergeet je van je leven niet meer! (Thuis kun je nakijken wat je had moeten spelen).
Een van de aardigste dingen is dat je de stijl van een ander speelt en dat dit je eigen speelmogelijkheden alleen maar verrijkt. Schaken wordt dan ook veel leuker!

Een tweede, uiterst sinistere ontdekking werd door mij gedaan toen onze meervoudige clubkampioen Fokke Jonkman tegen een 14-jarige broekeman moest aantreden.
De knaap zat een beetje verveeld rond te kijken en keek af en toe eens naar het bord om een zet te doen.
Het werd mij plotsklaps duidelijk: hier is geen sprake van uiterst subtiele nuances die na ampele overweging tot een bezonken oordeel leiden. Dit is gewoon zien en doen. Al de kwaliteiten die ik in de loop van 42 jaar tot ontwikkeling heb gebracht zijn in het schaken ternauwernood van enig nut.
Je kunt natuurlijk zeggen: deze jongen heeft talent. Maar wat voor talent dan?
Deze constatering gooit nogal wat zaken overhoop.
Zonder inzicht in het bovenstaande kun je onmogelijk zeggen wat een goede trainingsmethode is.
Het werd dus van het grootste belang meer over dit ‘talent’ te weten te komen. Is het te trainen? Is het leeftijdsafhankelijk? Is het erfelijk? Kan het na tot stilstand te zijn gekomen weer op gang gebracht worden?
Prangende vragen die dringend antwoorden behoeven.
Allereerst moesten er meer feiten verzameld worden.
Aldus geschiedde.
Het toernooi in de meesterklasse te Leeuwarden bracht het volgende feit aan het licht:
De gemiddelde leeftijd van de beste schakers van Nederland ligt ver onder de 30!
Dit werpt de vraag op: als iemand op tweeëntwintigjarige leeftijd al zo goed speelt, hoeveel beter speelt hij dan na tien jaar extra studie en meer ervaring? En waar zijn die kerels dan?
Een tweede feit onthulde John van der Wiel in een interview tijdens datzelfde toernooi:
In 1987 speelde hij de sterren van de hemel en leek het erop of hij zou doorbreken naar de wereldtop.
Het is er echter nooit van gekomen. Nu, tien jaar later zegt hij van zijn spel: het heeft meer diepgang gekregen. Ik ben meer allround geworden.
Toch is zijn rating tegenwoordig een stuk lager dan toen.
Is het niet vreemd dat al zijn training ten spijt hij nu minder speelt dan toen?

Zodat we kunnen vaststellen:
Leeftijd speelt een rol.
Talent kan plotseling tot stilstand komen.
Verkeerde training en pure ervaring zijn onvoldoende om een neerwaartse spiraal om te buigen.

Een aantal citaten bracht een ander feit aan het licht:
Peter Leko:
Als ik een stelling met mijn secondanten in een paar dagen tijd volledig tot op het bot had afgekloven en ik gaf deze stelling aan Bobby Fischer, dan kwam hij BINNEN EEN PAAR SECONDEN met volstrekt nieuwe inzichten en vondsten.
Dus NIET: nadat hij tien minuten diepgaand de stelling had overwogen kwam…
Joe Gallagher:
Het was duidelijk dat ik in een stukje huisvlijt was terechtgekomen.
IN EEN FLITS zag ik dat zijn combinatie niet waterdicht was en speelde ONMIDDELLIJK met trillende hand…
Deze en andere citaten wezen erop dat van welk talent er ook sprake is, het werkt in ieder geval snel.

Na het nodige getob ben ik tot de conclusie gekomen dat het talent waarover gesproken wordt patroonherkenning is.
Voor iedereen die de jam-toernooigerechtigde leeftijd nadert of heeft overschreden (50+) komt nu de belangrijkste vraag:
Kun je dit trainen?

Volgens mij wel.

Het feit dat ik drie jaar lang ondanks al mijn inspanningen op een rating van ca 1540 ben blijven staan geeft in ieder geval een ding aan: ik heb geen bijzonder schaaktalent. Als ik dus plotseling vooruitga, dan moet dit het gevolg zijn van juiste training.
Voor patroonherkenning moeten de hersenen over een database met posities beschikken.
Hoe beter de kwaliteit van die database hoe beter het resultaat van de patroonherkenning.
Sedert een half jaar staan mijn vrouw en ik op een dieet van ‘Van Wijgerden’ (de stappenmethode) en ‘Polgar’ (oefenopgaven).
Ik schat dat ik inmiddels circa 50 ratingpunten vooruit ben gegaan. Voor Wietske zullen dat er ongeveer 150 zijn.

Samenvattend zou ik dus voorzichtig willen stellen: volgens mij is er nog wel hoop!

Dick Stapersma.